STRANDLIEFDE

© Alex van der Horst, 1989

 

 

Eerst was er op de aarde alleen nog maar de zee,

eindeloze golven ,vaak woest, soms gedwee.

De zee voelde zich wel goed maar eenzaam en alleen,

wilde niet zichzelf maar iets anders om zich heen.

Zij heeft toen op een dag een droge plek bereid,

waardoor op haar bodem het land werd uitgespreid.

De zee had toen niet alle ruimte meer maar was begrensd

en toch was dit precies wat zij zich heel graag had gewenst.

 

         Refr.  

         De zee en het land gaan samen hand in hand.
         Diep en hoog, nat en droog, ieders andere kant.

         De zee en het land gaan samen hand in hand

         en op het lange strand omhelzen zij elkaar in ’t zand.
 

Ze voelden zich wat vreemd en nog onwennig naar elkaar.

Toch was het ook weer heel vertrouwd en soms niet eens zo raar.

En op de grens speelden zij hun eindeloze spel,

de zee een huid van branding en het land een duinenvel.

Ze waaiden en zwaaiden en gingen op en neer

Met eb en vloed, zout en zoet en samen woest te keer!

Ze huilden en ze lachten, soms boos, dan weer tevree.

De zon en maan genoten met een glimlach van die twee.           

 

         Refr.

 

Aan de horizon verscheen een schip dat door de wind

werd meegevoerd, het droeg ál het verlangen van een kind.

Liefde in de zeilen, op tekens afgegaan,

dreef het op een kracht, die altijd heeft bestaan.

Met vaag gekende klanken van vervulling  in de mond

gleed het kind van de natte zee naar vaste droge grond.

De aankomst van een nieuw verhaal, de voeten in het zand,

De handen in de lucht, het kind was welkom op het strand.       

 

         Refr.